FaBeR - Onderzoek > Revalidatiewetenschappen > Neuromotorische, Pediatrische en Pelvische Revalidatie > Onderzoek

Onderzoeksprojecten Neuromotorische, Pediatrische en Pelvische Revalidatie

Overzicht

De onderliggende mechanismen van freezing tijdens het draaien bij Parkinson: de invloed van intra- en interlimb motorische controle, posturale factoren en aandacht.

J. Spildooren
Promotor: A. Nieuwboer
Copromotor: K. Desloovere
De meest frequent uitlokkende factor van freezing bij de ziekte van Parkinson is het draaien tijdens het gaan. Bovendien heeft het maken van een draaibeweging een belangrijke functionele rol. Draaien bij het gaan en dit in relatie tot freezing werd tot op heden nog niet in detail onderzocht. In dit project gaan we op zoek naar de onderliggende mechanismen van freezing tijdens het draaien, de invloed van de asymmetrische symptomen van Parkinson op freezing en mogelijke behandelstrategieën om te compenseren voor freezing-episodes.
In een eerste studie wordt freezing uitgelokt in de bovenste ledematen aan de hand van 2 asymmetrische armtaken (met en zonder koppeling tussen de beide armen). De tweede studie omvat een 3D-ganganalyse waarin de patiënt wordt gevraagd om verschillende draaibewegingen te maken. De invloed van draaien naar de symptoomdominante en niet-dominante zijde op freezing wordt hier onderzocht. Tenslotte, bestuderen we in een laatste studie welke cueing-methode tijdens het draaien de beste resultaten geeft. Heeft cueing van de schrede in de plaats van één enkele stap hier een beter effect, welke lichaamszijde haalt het meeste voordeel uit een cue en welke instructie en aandachtsfocus leidt tot het beste resultaat? Resultaten worden vergeleken tussen mensen met de ziekte van Parkinson, die wel en niet last hebben van freezing, en gezonde controles.

Top

Stoornissen van motorische en neurale controle onderliggend aan freezing bij de ziekte van Parkinson: Onderzoek van de bovenste ledematen.

S. Vercruysse
Promotor: A. Nieuwboer
Copromotor: N. Wenderoth
Ongeveer 60% van de Parkinson patiënten in een gevorderd stadium van de ziekte, heeft te kampen met een bewegingsprobleem dat ‘freezing’ wordt genoemd. Hierbij ervaren de patiënten een motorische blokkade die tijdens het gaan beschreven wordt alsof ‘de voeten aan de grond vast plakken’. Deze freezingepisodes zijn heel storend voor de patiënt, leiden vaak tot vallen en kunnen moeilijk behandeld worden door medicatie. Recente studies tonen aan dat freezing niet uitsluitend optreedt tijdens het gaan maar ook bij het uitvoeren van ritmische bewegingen van de bovenste ledematen zoals schrijven, tanden poetsen en bimanuele coördinatie taken. Bovendien blijkt freezing van de bovenste ledematen sterk gecorreleerd met freezing tijdens het gaan. Echter, de precieze onderliggende kinetische en neurologische mechanismen van freezing zijn tot op heden onbekend.
Het doel van dit doctoraatsproject bestaat er in de onderliggende mechanismen van freezing te ontrafelen. Hiervoor gebruiken we een experimenteel model dat gestoeld is op het uitlokken van freezing tijdens ritmische bewegingen van de bovenste ledematen. Tijdens de uitvoering van deze coördinatie taken, zullen we de hand- en vingerbeweging registreren en de activiteit van bepaalde bovenarm spieren meten. Bovendien kunnen we de hersenactiviteit in beeld brengen terwijl patiënten de freezing-uitlokkende taak uitvoeren in een functionele hersenscanner (fMRI-scanner).
Op deze manier zullen we zowel op gedragsniveau, spierniveau als op hersenniveau de periodes vóór, tijdens en na het freezen onderzoeken. Ten slotte gaan we na wat de rol is van aandacht bij freezen en of de patiënten kunnen geholpen worden met ritmische cues.

Top

Onderzoek naar gangproblemen en revalidatiestrategieën bij de ziekte van Parkinson.

A. Nieuwboer
1. Ganganalyse en ontstaansmechanisme van freezing bij de ziekte van Parkinson
Een van de meest invaliderende gangproblemen die optreden bij Parkinson zijn freezing-episodes. Tijdens een dergelijke episode valt het stappen van een patiënt onvrijwillig stil, vaak na een periode van festinatie (het maken van kleine stapjes). De onderzoekslijn concentreert zich hoofdzakelijk op het bestuderen van de motorische karakteristieken van het ‘ freezen ’ met behulp van 2D (accelerometrie) en 3D ganganalyse (Vicon). Bovendien wordt het ‘freezing’-fenomeen ook in andere lichaamsdelen en gedurende andere repetitieve bewegingstaken onderzocht om op deze wijze systematisch de factoren die freezing uitlokken te identificeren.
2. Meting van Freezing
Freezing is een onvoorspelbaar optredend fenomeen en moeilijk uitlokbaar in een experimentele setting. Uitkomstmaten om het probleem te evalueren zijn beperkt. Momenteel wordt de validiteit van de bestaande ‘ Freezing of Gait Questionnaire’ onderzocht en verder ontwikkeld in samenwerking met de originele ontwikkelaars (Sourasky Medical Centre Tel-Aviv, Israel).
'Freezing of Gait Questionnaire'
3. RESCUE: Revalidatie bij de ziekte van Parkinson: Strategieën ter verbetering van het gaan met ritmische prikkels (‘cues’)

Een derde onderzoekslijn bestudeert het effect van interventies die gebruik maken van externe prikkels of ‘cues’ om de beweging aan te sturen. Deze studies lopen in het kader van het RESCUE-project (www.rescueproject.org), gefinancierd door de Europese Unie, in samenwerking met twee betrokken partners de Vrije Universiteit Amsterdam (NL) en de University of Northumbria (GB). In een gerandomiseerde en gecontroleerde klinische studie met een ‘cross-over design’ wordt gepeild naar de effectiviteit van het toepassen van de ‘cues’ in de thuissituatie. De wetenschappelijke conclusies zijn op een toegankelijke manier gepubliceerd voor kinesitherapeuten in de vorm van een praktische handleiding voor cueing op cd-rom. Therapievoorbeelden worden geïllustreerd met behulp van videomateriaal. Tevens werd een tweede DVD ontwikkeld met meer algemene oefentherapie voorbeelden in samenwerking met de Association of Physiotherapy for Parkinson’s Disease Europe.

 

Top

Een vergelijkende studie van de revalidatie van patiënten met een cerebrovasculair accident in 4 Europese landen.

Dr. L. De Wit
Promotoren: W. De Weerdt, H. Feys
In het kader van het CERISE-project, gefinancierd door de Europese Unie, wordt het herstel van CVA-patiënten vergeleken tussen vier verschillende Europese landen (doctoraal project Liesbet De Wit). CERISE staat voor ‘Collaborative Evaluation of Rehabilitation in Stroke across Europe’. Dit project loopt sinds januari 2002 aan de KULeuven (België), de Vrije Universiteit Brussel (België), University of Nottingham (Groot-Brittannië), RehaClinic Zurzach (Zwitserland) en Fachklinik Herzogenaurach (Duitsland).
Gezien CVA-revalidatie een tijdsintensief en ‘duur’ proces is, is het belangrijk de invloed van de verschillende revalidatieaspecten op het herstel na een CVA te kennen. Binnen Europa bestaan er grote verschillen in het management van CVA-revalidatie. Tot op heden is echter niet bekend of dit ook resulteert in verschillen in recuperatie. Het doel van CERISE is het vergelijken van de functionele, motorische en emotionele recuperatie van CVA-patiënten opgenomen in een leidinggevend revalidatiecentrum in België, Groot-Brittannië, Zwitserland en Duitsland. Ook de intensiteit en inhoud van therapie en de organisatorische karakteristieken van het centrum worden gedocumenteerd. Het CERISE-project bestaat uit vier deelstudies, die lopen in elk deelnemend revalidatiecentrum: (1) documenteren van het herstelpatroon van 135 CVA-patiënten tot op 6 maand na het CVA, (2) documenteren van de tijdsbesteding van 60 CVA-patiënten tijdens hun verblijf in het centrum, (3) documenteren van de inhoud van kinesitherapie en ergotherapie, (4) documenteren van de organisatorische karakteristieken van de revalidatie afdelingen. In de eindfase worden voorgaande elementen samengebracht om de indicatoren van ‘best clinical practice’ binnen CVA-revalidatie te identificeren. Aan de hand van dit project, zullen richtlijnen worden opgesteld om de aanpak van CVA-revalidatie binnen Europa te optimaliseren. Dit zal op zijn beurt resulteren in verminderde motorische, functionele en sociale beperkingen van de CVA-patiënt.

Top

Evaluatie en behandeling van rijvaardigheid bij patiënten met neurologische aandoeningen.

H. Devos
Promotoren: W. De Weerdt, A. Nieuwboer
Personen met een neurologische aandoening hebben soms visuele, cognitieve en motorische problemen die het veilig autorijden kunnen hinderen. Autorijden is immers een complexe psychomotorische activiteit, die een integratie vraagt van verschillende cognitieve, visuo-perceptuele en motorische processen. Sommige bestuurders zijn zich echter niet bewust van dit verminderd vermogen en kunnen de wegen onveilig maken. Het is belangrijk deze potentieel gevaarlijke chauffeurs tijdig te herkennen.
Onze onderzoekslijn spitst zich op twee vraagstellingen: (1) Is het mogelijk de rijgeschiktheid van personen met functionele beperkingen te voorspellen aan de hand van een korte rijgeschiktheidsbatterij?; (2) Kunnen personen met een verminderde rijvaardigheid getraind worden?
Onze onderzoeksgroep werkt nauw samen met het Centrum voor Rijgeschiktheid en Voertuigaanpassingen (CARA) van het Belgisch Instituut Voor Verkeersveiligheid (BIVV).

Het doctoraal project van Hannes Devos omvat:

(1) De ontwikkeling en validatie van een klinische rijgeschiktheidsbatterij voor personen met neurologische aandoeningen. (2) Onderzoek naar de impact van corticale (CVA) en subcorticale (Parkinson, Huntington) aandoeningen op het neuropsychologisch en rijvaardigheidsprofiel.
(3) Onderzoek naar de langetermijneffecten van autosimulatietraining op rijvaardigheid bij personen met een CVA.

Top

Evaluatie en behandeling van het bovenste lidmaat bij kinderen met cerebral palsy.

Dra. K. Klingels
Promotoren: H. Feys, P. De Cock
In de afgelopen jaren werd gewerkt aan de oppuntstelling van de klinische evaluatieschalen, waarbij een gestandaardiseerd onderzoeksprotocol werd opgesteld voor de evaluatie van het bovenste lidmaat. Dit onderzoeksprotocol omvat een evaluatie op het niveau van de lichaamsfuncties, activiteiten en participatie volgens het ‘International Classification of Functioning, Disability and Health model’ (ICF-model, WHO).
In een eerste deelstudie werd de betrouwbaarheid en praktische bruikbaarheid van klinische evaluaties van het bovenste lidmaat op niveau van lichaamsfunctie en op niveau van activiteit bij kinderen met hemiplegie nagegaan. De betrouwbaarheid van het klinisch onderzoekvan de diverse stoornissen, met name beweeglijkheid, spierkracht, spiertonus, selectiviteit en sensibiliteit werd getoetst. Daarnaast werden twee meetschalen geëvalueerd die de functie van de arm in beeld brengen, de Melbourne Assessment en de QUEST. De resultaten toonden aan dat beide schalen voldoen aan de onderzochte klinimetrische vereisten. Op basis van de specifieke functies die worden gemeten, het scoresysteem en het leeftijdsbereik werd gekozen om de Melbourne Assessment te implementeren in het evaluatieprotocol van het bovenste lidmaat.
Een tweede deelstudie richt zich op het verwerven van inzicht in motorische en sensorische stoornissen (niveau van lichaamsfuncties) en functionele mogelijkheden van de arm in activiteiten van het dagelijkse leven (niveau van activiteit en participatie) in verschillende leeftijdsfasen. In een eerste cross-sectionele studie werden de motorische en sensorische functies en de activiteiten van het bovenste lidmaat in beeld gebracht bij 75 kinderen met hemiplegie. Preliminaire resultaten toonden aan dat spierkracht, spiertonus en ook sensibiliteit onderliggende lichaamsfuncties zijn die de functie van het bovenste lidmaat bepalen bij kinderen met een hemiplegie. Hierbij bleek de distale spierkracht de belangrijkste determinant.
Vervolgens zal in een tweede longitudinale studie de evolutie van arm- en handfunctie bij kinderen met een hemiplegie in beeld gebracht worden. Het doel van deze studie is het opvolgen van arm- en handfunctie in verschillende leeftijdsfasen op niveau van lichaamsfunctie, activiteit en participatie en het identificeren van de determinanten die de functie beïnvloeden. Deze inzichten kunnen bijdragen tot het optimaliseren van de behandeling van het bovenste lidmaat bij kinderen met een cerebrale parese.
Ten slotte zullen in een derde deelstudie de effecten van therapeutische interventies op de functie van het bovenste lidmaat worden geëvalueerd.

Top

Studie van de bewegingspatronen van het bovenste lidmaat bij kinderen met een hemiplegie aan de hand van driedimensionale bewegingsanalyse.

E. Jaspers
Promotoren: H. Feys, K. Desloovere, H. Bruyninckx
In dit onderzoeksproject trachten we een fundamentele bijdrage te leveren in het begrijpen van de onderliggende mechanismen van een afwijkende bewegingscontrole van het bovenste lidmaat bij kinderen met een hemiplegie aan de hand van een objectieve 3D-bewegingsanalyse van functionele bewegingen (biomechanische benadering).
In een eerste fase zal een meetmethodiek worden ontwikkeld om de bewegingspatronen tijdens functionele bewegingen van het bovenste lidmaat in beeld te brengen. In het ontwikkelde model zullen bewegingen ter hoogte van de romp, schouder, schouderblad, elleboog, voorarm, pols en vingers worden geïntegreerd. De nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de meetmethodiek zal worden getoetst.
In een tweede fase willen we een inzicht verwerven in de afwijkende bewegingspatronen. In een eerste studie zullen de bewegingspatronen tijdens 5 functionele bewegingen bij beide patiëntengroepen worden geanalyseerd en zal worden nagegaan hoe deze bewegingspatronen verschillen van een controlegroep (discriminerende validiteit). Vervolgens zullen in een tweede studie de afwijkende bewegingspatronen gerelateerd worden aan het klinisch onderzoek van motorische en sensorische stoornissen. Ten slotte zal in een derde studie het verband tussen de variaties in bewegingspatronen van de hemiplegische arm en de structurele hersenbeschadiging worden uitgediept.
In een derde fase zal het effect van BTX-injecties op de bewegingspatronen van het bovenste lidmaat worden geëvalueerd.

Top

Rompcontrole bij kinderen met cerebral palsy: een klinische en biomechanische benadering

L. Heyrman
Promotor: H. Feys, G. Molenaers
Met dit onderzoeksproject willen we inzicht verwerven in de verschillende parameters die rompcontrole beschrijven bij kinderen met cerebral palsy tijdens functionele activiteiten zoals zitten, staan en stappen.

In een eerste fase wordt een meetmethodiek van de romp ontwikkeld waarmee we de verschillende parameters kunnen kwantificeren op basis van een geïntegreerd model van de romp.

In een tweede fase worden de parameters van rompcontrole bij normaal ontwikkelende kinderen vergeleken met die bij kinderen met cerebral palsy om de stoornissen inrompcontrole te kunnen objectiveren. Ook zal worden nagegaan of er een verband bestaat tussen het hersenletsel en de rompcontrole bij de kinderen met cerebral palsy.

In een derde fase wordt de functionele relatie tussen de romp en de onderste ledematen bestudeerd. Enerzijds zoeken we verbanden tussen parameters van de romp en analytische parameters van de onderste ledematen. Anderzijds wordt de bijdrage van gestoorde parameters van rompcontrole aan afwijkende stappatronen zoals crouch gait en Trendelenburggang onderzocht.

Top

Bayesiaans geïntegreerde predictie van verworven pathologische gangpatronen op basis van structurele hersenafwijkingen, bij kinderen met cerebral palsy

L. Van Gestel
Promotor: K. Desloovere, P. De Cock, H. Bruininkcx
Tot op heden is het niet duidelijk hoe hersenletsels bij kinderen met cerebral palsy (CP) gerelateerd zijn aan het motorisch functioneren op latere leeftijd; meer specifiek het pathologische gangpatroon. De huidige doctoraatsstudie gaat op zoek naar de (causale) verbanden tussen structurele hersenafwijkingen en het motorisch functioneren bij kinderen met CP, om deze te integreren in een finaal predictie-model.

De eerste fase van het project klasseertkinderen met CP in een beperkt aantal onderscheiden motorische groepen. In eerste instantie wordt daartoe de impact van de afzonderlijke primaire motorische stoornissen op de diverse gangpatronen nagegaan en gekwantificeerd. Deze kennis wordt dan in een bayesiaanse netwerk gecombineerd met data uit de 3D-ganganalyse en het klinisch onderzoek, ter classificatie van de kinderen met CP in onderscheiden motorische groepen.

In de tweede fase van het onderzoek worden deze motorische groepen gelinkt aan gevisualiseerde hersenafwijkingen. Voor de kinderen uit fase 1 wordt medische beeldvormingsdata (MRI) van hersenafwijkingen verzameld en gekwantificeerd. Deze data wordt toegevoegd aan het bayesiaanse netwerk ter kwantificatie van de relaties tussen motorische groepen en specifieke (patronen van) hersenafwijkingen. “Training” van dit bayesiaanse netwerk resulteert uiteindelijk in een predictie-model dat, op basis van gevisualiseerde hersenafwijkingen op jonge leeftijd, ontwikkeling van specifieke gangpatronen (en onderliggende primaire stoornissen) op latere leeftijd voorspelt.

De laatste fase van het onderzoek omvat de klinische implementatie en experimentele validatie van het predictie-model. Aan de hand van een nieuwe groep CP kinderen met gevisualiseerde hersenafwijkingen en longitudinale ganganalyse-data, wordt de betrouwbaarheid en validiteit van het predictie-model getoetst. Concreet worden de verworven pathologische gangpatronen, en hun onderliggende mechanismen, van deze nieuwe groep kinderen vergeleken met de predicties van het model.

Top

Sensorische functies bij Cerebral Palsy: een fundamentele en longitudinale studie met fMRI (functionele beeldvorming aan de hand van Magnetische Resonantie) en TMS (Transcraniële Magnetische Stimulatie)

Dr. A. Van de Winckel
Promotor: W. De Weerdt, H. Feys, K. Desloovere, S. Sunaert, P. De Cock, M. Eyssen
Aangezien kinderen met cerebrale parese (CP) naast motorische ook sensorische problemen vertonen (onder andere problemen met proprioceptie), zou het trainen van het kinesthetisch proprioceptief bewustzijn (lichaamsbewustzijn) via sensomotorische taken een uitgangspunt kunnen vormen voor therapie. De vooropgestelde studie zal het werkingsmechanisme van een cognitieve sensomotorische therapie (Perfetti, 1997, 2001) onderzoeken bij kinderen met een congenitale unilaterale CP. Dit oefenconcept legt het accent op tactiele en kinesthetische discriminatietaken (= het leren onderscheiden van vormen en bewegingen met gesloten ogen). De huidige medische beeldvorming van de hersenen maakt het mogelijk hypothesen over de mechanismen van therapeutische interventies te toetsen bij kinderen met CP. In een voorgaand doctoraatsonderzoek is met behulp van functionele magnetische resonantie (fMRI) een inzicht verworven in de centrale processen tijdens passieve somatosensorische discriminatietaken bij gezonde proefpersonen en CVA-patiënten. Dit hield in dat personen met gesloten ogen verschillende bewegingen en vormen (driehoeken, vierkanten, rechthoeken, onbepaalde vierhoeken, lengtes) die werden aangeboden aan de rechter wijsvinger van elkaar moesten onderscheidden. De resultaten van het onderzoek bij gezonde proefpersonen zijn te vinden in NeuroImage: Ann Van de Winckel, Stefan Sunaert, Nicole Wenderoth, Ron Peeters, Paul Van Hecke, Hilde Feys, Els Horemans, Guy Marchal, Stephan P. Swinnen, Carlo Perfetti and Willy De Weerdt. Passive somatosensory discrimination tasks in healthy volunteers: Differential networks involved in familiar versus unfamiliar shape and length discrimination.  NeuroImage, Volume 26, Issue 2, June 2005, Pages 441-453. (pdf file van het volledige artikel is te verkrijgen op aanvraag bij ann.vandewinckel@faber.kuleuven.be). De resultaten van CVA-patienten zijn in voorbereiding ter publicatie.
In een eerste studie van dit postdoctorale project wordt nagegaan welke hersennetwerken actief zijn bij dit soort discriminatieoefeningen bij 12 gezonde kinderen en 12 kinderen met CP (9 - 15 jaar). In een tweede studie gaan we de invloed van deze cognitieve oefentherapie na op de sensomotorische functionele reorganisatie in de hersenen. Een groep van 16 kinderen met CP (9 - 15 jaar) zal behandeld worden volgens de cognitieve sensomotorische therapie, toegepast op het bovenste lidmaat. Een fMRI onderzoek zal voor en na de therapie worden aangewend om veranderingen in de hersenen te bekijken. Ook klinische evaluaties zullen voor en na de therapie worden afgenomen, alsook 3 maanden na het beëindigen van de therapeutische interventie. De gebruikelijke behandeling van de romp en het onderste lidmaat blijft onveranderd gedurende de hele duur van het onderzoek. TMS (Transcraniële Magnetische Resonantie) zal éénmalig voor de start van de interventieperiode worden uitgevoerd om na te gaan hoe de motorische besturing naar de hersenen loopt. Zowel TMS als fMRI zijn veilige, niet invasieve medische beeldvormingstechnieken, die cerebrale activeringen accuraat registreren bij specifiek opgelegde stimuli. Daarom zijn dit ideale instrumenten voor dit onderzoek. Er wordt geen gebruik gemaakt van radioactieve of chemische stoffen, ioniserende stralingen of een ander contrast medium.

Top

Studie van de normale en pathologische gang: coördinatiepatronen, classificatie en effect van therapie.

K. Desloovere, G. Molenaers, C. Huenaerts, P. Van De Walle, K. Daniels, H. Feys, P. De Cock
De onderzoeksprojecten zijn gesitueerd binnen het domein van objectieve ganganalyse. Driedimensionale ganganalyse resulteert in een verbeterd inzicht in de controle van de gang, zowel in normale als in pathologische condities. De studie van de gang gebeurt in het Laboratorium voor Klinische Bewegingsanalyse van het U.Z. Pellenberg. De huidige onderzoekslijnen zijn onder te brengen in drie hoofdcategorieën. Een eerste onderzoekslijn tracht bijkomend inzicht te verwerven in het normale gangbeeld. Hiertoe wordt geavanceerde data-analyse aangewend om coördinatiepatronen en onderliggende mechanismen van het stappen systematisch verder uit te diepen. Binnen een tweede onderzoeklijn kaderen studies omtrent de classificatie van gangpatronen. Hierbij wordt systematisch gezocht naar specifieke pathologische patronen bij diverse patiëntengroepen. Bij deze patiëntengroepen wordt dan in tweede instantie getracht bijkomend inzicht te verwerven omtrent de onderliggende mechanismen die het pathologisch patroon kunnen veroorzaken. Een laatste onderzoekslijn omvat diverse interventiestudies. Het effect van conservatie of chirurgische interventies op het gangbeeld wordt bestudeerd. De laatste jaren werd de aandacht voornamelijk toegespitst op het effect van tonusreductie op het gangbeeld bij kinderen met spasticiteit.

Top

Evaluatie en behandeling van secundaire dystonie bij patiënten met neuromotorische aandoeningen

E. Monbaliu
Promotoren: H. Feys, P. De Cock
Cerebral palsy was de laatste tien à vijftien jaren dikwijls het onderwerp van wetenschappelijk onderzoek binnen de pediatrische revalidatie. Hierbij werden vooral voor de spastische CP-groep nieuwe inzichten verworven, onder meer dankzij de oppuntstelling van het klinisch onderzoek, 3D-bewegingsanalyse en nieuwe medische interventies. De moeilijk objectiveerbare dyskinetische groep maakte in verhouding met de spastische groep weinig deel uit van wetenschappelijk onderzoek. Een objectivering van deze (vergeten) CP-populatie dringt zich op.
Door de ontwikkeling van een klinische dyskinetische meetschaal wordt een essentiële schakel in verder wetenschappelijk onderzoek verworven. De variabele houdings- en bewegingsstoornissen ten gevolge van de pathologische tonus dienen te worden gescoord aan de hand van een fijngevoelige schaal die enerzijds voldoende onderscheid maakt tussen rust en activiteit en anderzijds ernstgradatie en functiebelemmering gescheiden houdt.
Een tweede onderzoekslijn stelt binnen de dyskinetische groep een duidelijkere classificatie voorop. Heel wat dyskinetische CP-patiënten vertonen zowel choreo-athethotische als dystone kenmerken. Deze mengbeelden, gecombineerd met spasticiteit en een gebrek aan selectieve controle, bemoeilijken een afgelijnde classificatie. Aan de hand van medische beeldvorming en klinische meetschalen (met onder meer de nieuwe dyskinetische schaal) wordt de ‘natural history’ van de dyskinetische groep beter in kaart gebracht.
Het laatste onderzoeksdeel richt zich op de functionele revalidatie bij de ernstig meervoudige dyskinetische CP-groep. Deze patiënten werden in het verleden al te vaak als ‘motorisch onopvoedbaar’ beschouwd. Dankzij de technologische ontwikkeling openen elektronische besturingssystemen de poort naar een grotere zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Sommige systemen (zoals de Adremo besturing) worden klinisch ervaren als een adequaat functioneel hulpmiddel maar ook als een therapeutisch instrument. De opgezette studie brengt enerzijds de functionele invloed van de motorische training met de besturingssystemen in kaart. Anderzijds wordt bekeken naar de invloed van functionele training op de primaire pathologische afwijkingen bij de dyskinetische CP-patiënten.

Top

Motorische imitatieproblemen van peuters en kleuters met autismespectrumstoornissen: onderzoek naar de aard en klinische relevantie voor diagnose en prognose.

Dra. M. Vanvuchelen
Promotor:W. De Weerdt, H. Roeyers
Een autismespectrumstoornis (ASS) is een veelvoorkomende ontwikkelingsstoornis met een stijgende incidentie. In België worden in 2005 zeven Referentiecentra voor Autisme opgericht. Het RIZIV beoogt ondermeer het vervroegen van de diagnostische leeftijd. Vroege opsporing en vroege interventie resulteren in een meer gunstige lange termijn prognose van de meeste kinderen met autisme.
Ondanks dat autisme een aangeboren ontwikkelingsstoornis is met een typisch gedragsbeeld (gebrekkige sociale wederkerigheid, communicatieve beperkingen en een repetitief patroon van activiteiten en interesses) wordt de diagnose gemiddeld pas gesteld rond de leeftijd van zes jaar. De reden hiervan is het ontbreken van geschikte instrumenten voor routine ontwikkelingsonderzoek en gespecialiseerd screenen voor autisme op jonge leeftijd. Tot op heden is de diagnose van autisme gebaseerd op interviews met de ouders en gedragsobservaties van het kind. Een onderzoeksinstrument voor het jonge kind zelf bestaat nog niet.
Gezien motorische imitatie een aangeboren vermogen is en gezien imitatieproblemen universeel, specifiek en persisterend zijn voor kinderen met autismespectrumstoornissen, kan een imitatieonderzoek bijdragen tot het vervroegen van de diagnoseleeftijd en de aanvang van gepaste interventie van kinderen met autisme. Om deze reden wensen we de ‘Preschool Imitation and Praxis Scale’ (PIPS), een kwalitatieve imitatietest voor kinderen vanaf de leeftijd van 14 maanden, te ontwikkelen en de toepasbaarheid ervan voor jonge kinderen met een tentatieve diagnose van autismespectrumstoornissen te onderzoeken.

Deze doctoraatsstudie omvat de volgende onderzoeksvragen:

(1) zijn imitatieproblemen eigen aan ASS van perceptueel-motorische en/of sociaalcognitieve aard?1
(2) maken kinderen met ASS ongeacht hun leeftijd en ontwikkelingsniveau typische imitatiefouten?2
(3) kan het imitatievermogen van kinderen tussen 18 maanden en 4;11 jaar onderzocht worden op een betrouwbare en valide manier?3
(4) onderscheiden zeer jonge kinderen met een tentatieve diagnose van ASS vanaf 18 maanden zich van niet-autistische kinderen in hun motorische imitatievermogen gemeten met een betrouwbare en valide imitatietest?
(5) wat is het verband tussen de ernst van de imitatieproblemen en de ernst van ASS bij deze jonge kinderen?

1 Vanvuchelen M, Roeyers H, De Weerdt W. Nature of motor imitation problems in school-aged boys with autism. A motor or a cognitive problem? Autism. The International Journal of Research and Practice 2007;11(3):225-240.
2 Vanvuchelen M, Roeyers H, De Weerdt W. Nature of motor imitation problems in school-aged males with autism: how congruent are the error types? Developmental Medicine and Child Neurology 2007;49:6-12.
3 Vanvuchelen M, Roeyers H, De Weerdt W. Preschool Imitation and Praxis Scale (PIPS): Development and construct validity. 2007 [in preparation].

Top

Urinaire incontinentie en erectiele dysfunctie na open radicale prostatectomie en robot radicale prostatectomie

I. Geraerts
Promotoren: M. Van Kampen, H. Van Poppel (UZ Leuven, Afd. Urologie)
Prostaatkanker is de meest voorkomende kanker bij de man. Van het aantal nieuwe mannelijke kankerslachtoffers in Vlaanderen heeft 22 % prostaatkanker. De chirurgische behandeling van een lokaal beperkt prostaatcarcinoom bestaat uit een radicale prostatectomie. Tot voor enkele jaren werden alle operatieve behandelingen uitgevoerd via een retropubische (open) benadering. Tegenwoordig wordt er echter steeds meer gebruik gemaakt van een robot. Ondanks de grote vooruitgang in chirurgische technieken, blijven urinaire incontinentie en erectiele dysfunctie belangrijke postoperatieve problemen.
De incidentie van urinaire incontinentie bedraagt ongeveer 90 % onmiddellijk na het verwijderen van de catheter. Urinaire incontinentie kent een spontaan herstel, maar voorgaande studies hebben aangetoond dat continentie sneller bereikt kan worden met bekkenbodemspieroefeningen dan zonder of met een placebo behandeling. Over het effect van pre-operatieve bekkenbodemspieroefeningen bestaat echter nog steeds geen consensus.
In een eerste fase wil dit onderzoek evalueren of patiënten, die reeds pre-operatief starten met bekkenbodemspieroefeningen sneller droog zijn. Verder zal (1) de relatie tussen de toename in spierdikte en de reductie van het urineverlies na bekkenbodemspieroefeningen worden nagegaan met behulp van ultrasonografie en (2) de invloed van een radicale prostatectomie op de fysieke activiteiten van de patiënt worden onderzocht.
In een tweede fase zal de intra- en interbetrouwbaarheid wat betreft spiertonus, spierkracht en spieruithouding vergeleken worden tussen manuele controle en twee EMG-biofeedback toestellen.
In een derde fase zal er een valide en betrouwbare vragenlijst samengesteld worden om de gevolgen van de urinaire incontinentie te kunnen bepalen in termen van ICF, namelijk stoornis, beperking en participatieprobleem. In een laatste fase zullen we onderzoeken of patiënten die één jaar na een zenuwsparende operatie nog steeds erectiele disfunctie ervaren, een sneller herstel mogen verwachten na een nieuw oefenprogramma.

Top

Effectiviteit van een proprioceptief oefenpakket voor anorectale dysfuncties na colorectale kanker

A. Maris
Promotoren: A. Devreese, F. Staes, A. D’Hoore (UZ Leuven, Afd. Abdominale Heelkunde)
Fecale incontinentie, diarree, urge, tenesmus en een toegenomen defecatie frequentie zijn vaak gerapporteerde klachten na chirurgie en/ of bestraling voor colorectale kanker. De beperkte anorectale functie vormt een bron van schaamte en spanning voor de patiënt en kan het dagelijkse en sociale functioneren in belangrijke mate beïnvloeden. Het is de bedoeling met dit onderzoek de spontane evolutie van het anorectaal functioneren en de effectiviteit van een proprioceptief oefenpakket en counseling na te gaan bij mannen en vrouwen met fecale incontinentie na de behandeling van colorectale kanker. De opzet bestaat erin deze patiëntenpopulatie te instrueren om de anorectale functie te optimaliseren en zodoende een betere levenskwaliteit te bieden.

Top