FaBeR > Over ons > Historiek

Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen: beknopte historiek

Tijdens het interbellum kreeg de lichamelijke opvoeding verhoogde aandacht in het kader van de volksgezondheid. Naast de studentensport die al een lange traditie kende aan de Leuvense universiteit, oordeelde rector Paulin Ladeuze dat er ook ruimte moest worden gemaakt voor een opleiding lichamelijke opvoeding. Daartoe deed hij in 1937 beroep op de Leuvense medicus en fysioloog Pierre-Paul De Nayer die zich, naast zijn taken als werkleider bij professor Jozef-Paul Bouckaert aan het Fysiologisch Instituut van de Faculteit Geneeskunde, eveneens verdienstelijk had gemaakt als medewerker van prof. Fernand Collin (de latere stichter van de Kredietbank) in de schoot van de universitaire sportcommissie.

De Nayer kreeg van rector Ladeuze een drieledige opdracht, bestaande uit het inrichten van colleges sportgeneeskunde, het doen heropleven van de studentensport en de bouw van een Instituut voor Lichamelijke Opleiding (ILO). Er werd gekozen voor inplanting op de zogenaamde “Vette Weide”, een moerassige strook tussen de Voer en de Dijle in het Arenbergpark. Het gebouw – dat nu Gymnasium wordt genoemd – werd pas in 1940 afgewerkt (hoewel op de gevel 1939 als bouwjaar staat vermeld). Het werd op 14 november 1940 plechtig ingehuldigd door de nieuwe rector Mgr. Honoré van Waeyenbergh, in aanwezigheid van Kardinaal Van Roey. Het hoogtepunt van deze plechtigheid was de demonstratie van de keurploeg van de Brusselse Association de Gymnastique Educative (AGE) geleid door Michel Bottu, die pas was aangeworven als gymnastieklesgever voor de Leuvense studentensport. In 1941 werden vervolgens ook de sportvelden en de atletiekpiste in gebruik genomen.

Conform het wettelijke kader kende de opleiding aan het ILO een start in twee fazen. In 1937 kregen doctors in de geneeskunde toegang tot de graad van geneesheer-licentiaat in de lichamelijke opvoeding. De tweede fase betrof de inrichting van een Hogere School voor Opleiders in 1942. De Nayer ontwierp een breed en humanistisch uitgebalanceerd programma, bestaande uit drie jaren hoger technisch onderwijs, gevolgd door een universitair licentiejaar. Voorafgaand aan de stichting van deze Hogere School voor Opleiders had De Nayer in oktober 1939 een Hogere School voor Opleidsters – beter bekend onder de naam Parnasse – geopend te Elsene. Ook de opleidsters konden, net zoals hun mannelijke medestudenten, het licentiaatsdiploma in de lichamelijke opleiding behalen in een vierde jaar. Gezien de eerste opleidsters drie jaar eerder van start waren gegaan dan de eerste opleiders, waren de eerste Leuvense licentiaten in de lichamelijke opleiding van het vrouwelijke geslacht.

In zijn verslag van het academiejaar 1960-1961 meldde rector van Waeyenbergh dat de Hogere School voor Opleiders volledig zou worden ingeschakeld in de Leuvense universiteit. Tijdens het academiejaar 1961-1962 startte de eerste generatie met het programma van twee kandidaturen en twee licenties. Hierdoor werd de hybride toestand waarbij de opleiders en opleidsters pas na drie jaren een universitaire licentie konden volgen (waaraan ook hun aggregatie en verhandeling waren gekoppeld), opgeheven. Ook werd het LO-programma uitgebreid met diverse specialisatiemogelijkheden, waaronder adviseur arbeidsmilieu, adviseur sportdiscipline en adviseur vrijetijdsproblematiek. Al vanaf 1952 konden laatstejaarsstudenten lichamelijke opleiding, via de connecties van De Nayer binnen het academisch ziekenhuis Sint Raphaël, het diploma van geaggregeerde in de kinesitherapie behalen. In 1961 werd kinesitherapie een aparte licentie om tenslotte in het academiejaar 1968-69 tot een volledig zelfstandige studierichting uit te groeien met twee kandidaturen, twee licenties en een doctoraat, toegankelijk voor zowel jongens als meisjes.

Het revolutiejaar 1968 lag aan de basis van grote institutionele hervormingen. In Leuven werd hevig strijd gevoerd voor meer politieke en sociale rechten. “Leuven Vlaams” was de strijdkreet die effectief leidde tot de splitsing van Leuvense universiteit in de Nederlandstalige Katholieke Universiteit Leuven en de Franstalige Université Catholique de Louvain, die zich zou vestigen in een nieuw te bouwen studentenstad – Louvain-la-Neuve – ten zuiden van Brussel. De Nayer, een fervent tegenstander van deze splitsing, bepleitte tijdens deze woelige periode de uitbreiding van de infrastructuur van het ILO met in het bijzonder de bouw van een nieuwe sporthal. Dat “Nieuw Gebouw” – thans Gebouw De Nayer – werd op 4 oktober 1969 officieel ingehuldigd door rector Albert Descamps en omvatte naast verschillende sportzalen en onderzoekslaboratoria eveneens een bibliotheek en sportmedische dienst. Op die manier werd ook tegemoet gekomen aan een aantal verzoeken van de Leuvense studenten.

De departementalisatie van de KU Leuven op basis van onderzoeksaffiniteiten leidde in 1971 tot de erkenning van het ILO als elfde departement van de Faculteit Geneeskunde. Tijdens het academiejaar 1975-1976 verkreeg het ILO facultaire bevoegdheden en werd het samen met Geneeskunde, Tandheelkunde en Farmacie ondergebracht in de nieuw opgerichte Subgroep Medische Wetenschappen. Datzelfde academiejaar nam sportarts en geëngageerd universitair atleet Michel “Mic” Ostyn, die van bij de aanvang mee instond voor de uitbouw van het sportwetenschappelijk onderzoek en de universitaire sport, het voorzitterschap over van De Nayer die op emeritaat ging.

De Nayer was altijd een fervent tegenstander geweest van een gezamenlijke opleiding. In 1937 had hij aan rector Ladeuze moeten beloven dat de eerste drie studiejaren lichamelijke opleiding niet gemengd zouden verlopen. De Nayer hield zijn belofte tot aan zijn emeritaat. In 1975-1976 werden dames toegelaten in een ‘proefjaar’ en vanaf 1976-77 was de vierjarige opleiding lichamelijke opleiding ook in Leuven toegankelijk voor meisjes. Waar de meisjes het Leuvense ILO kwamen vervoegen, verlieten de Waalse studenten in oktober 1977 definitief het instituut aan de Dijle en verhuisde het Franstalige Institut d’Education Physique et de Réadaptation (IEPR) naar Louvain-la-Neuve.
Onder het voorzitterschap van Ostyn kwam het onderzoek in een stroomversnelling terecht en stak het ILO ook internationaal de nek uit. Ostyn was trouwens ook secretaris-generaal van de Fédération Internationale du Sport Universitaire (FISU), waarvan de zetel sinds 1955 in Leuven was gevestigd. In 1986 werd Ostyn als voorzitter opgevolgd door Dirk Van Gerven. Onder zijn bestuur werd het ILO in het academiejaar 1989-1990 uitgebreid naar twee departementen, zijnde het Departement Kinantropologie en het Departement Klinische Kinantropologie. Ook op infrastructureel vlak breidde het ILO verder uit. Zo werd in 1993 de KB-Sporthal – nu KBC-Sporthal – gebouwd. Hoewel die sporthal vrij rudimentair was uitgerust (betonnen ondergrond, geen douches…) werd ze dankbaar in gebruik genomen door de balsporters.
Een nieuwe mijlpaal in de geschiedenis van het instituut was het academiejaar 1993-1994. Voor het eerst werd het instituut erkend als een volwaardige faculteit onder de naam Faculteit Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie (FLOK) met Dirk Van Gerven als eerste decaan. In het academiejaar 1994-1995 werd de faculteit verder opgedeeld in drie departementen: het Departement Sport- en Bewegingswetenschappen, het Departement Kinesiologie en het Departement Revalidatiewetenschappen.

In 1995 werd Van Gerven als decaan opgevolgd door Jan Pauwels. Dankzij zijn volgehouden inspanningen werd voorkomen dat de opleiding kinesitherapie uit het universitaire landschap verdween. Ook kreeg het belang van voldoende uren lichamelijke opvoeding in het middelbaar onderwijs tijdens zijn mandaat veel aandacht. Pauwels zelf werd in 2001 opgevolgd door Mart Buekers. Buekers bepleitte de naamsverandering van de faculteit. Lichamelijke opvoeding en kinesitherapie werden in 2004-2005 respectievelijk verruimd tot bewegings- en revalidatiewetenschappen.

Met de start van het academiejaar 2005-2006 werd Rik Gosselink decaan van FaBeR. Voordien was al beslist dat de faculteit op zou gaan in de Groep Biomedische Wetenschappen. Hoewel de drie departementen vanaf 2005-2006 rechtstreeks onder de Groep Biomedische Wetenschappen ressorteerden, bleef FaBeR als koepel gehandhaafd. Een jaar later werd de facultaire structuur voor het laatst gewijzigd. De drie departementen kregen hun huidige benaming en de onderzoekactiviteiten werden gestructureerd in de 10 huidige afdelingen.

Met de viering van 75 jaar lichamelijke opvoeding en 60 jaar kinesitherapie aan de Katholieke Universiteit Leuven en de Université Catholique de Louvain zal het jaar 2012 een feestjaar worden. In dat kader werken Pascal Delheye en Hans Vangrunderbeek aan een uitgebreide historiek. Foto’s, archief en anekdotes blijven bijzonder welkom. Geef graag door via pascal.delheye@faber.kuleuven.be

Meer informatie over de ontwikkeling van de lichamelijke opvoeding en de sport kan – in afwachting – worden gevonden in:

Delheye P.; Ameye T.; Vangrunderbeek H., 2008, In I.L.O. tempore. Verbeeld verleden van de Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen aan de KU Leuven, 1937-2007, Leuven: UPL in Context, 240 p.

Renson R.; Delheye P., 2001, Universiteit, gezondheid en sport, in Roegiers J.; Vandevivere I. (eds), Leuven/Louvain-la-Neuve: Kennis maken, Leuven: Universitaire Pers, 175-183.

 

Top